Al vanaf jongs af aan voel ik mij een ‘Vergeten Kind’.

“Niet dat mensen mij direct vergaten, maar wel dat mijn emoties, behoeften en bovenal pijn niet gezien werden. Ik ben opgegroeid bij mijn vader. Een man die altijd het beste voor mij heeft gewild en altijd voor mij gestreden heeft, maar het mij simpelweg niet kon bieden door verschillende financiële en emotionele factoren.

Op 11-jarige leeftijd heeft mijn moeder mij ontvoerd. Ik was dat weekend bij mijn moeder, een van de weinige omgangsregelingen. Mijn vader was aan het werk in de buurt, werd ziek en moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Ik ben met mijn moeder en haar toenmalige partner ondergedoken. Vanaf die dag heb ik mijn opa en oma, vader, klasgenoten, vrienden en buren niet meer gezien.

Compleet uit mijn omgeving getrokken. Na jaren van strijd, bezoeken aan Bureau Jeugdzorg, de Raad van de Kinderbescherming, advocaten, GGZ-instellingen en ontelbare onderzoeken werd ik gediagnosticeerd met PTSS en een reactieve hechtingsstoornis op zuigelingenleeftijd. Helaas was er geen therapeut, psycholoog, therapievorm of instelling die mij destijds kon helpen. Ik had het zwaar.

Acceptatie van het feit dat ik moest wennen aan zussen, een moeder, een nieuwe school, nieuwe omgeving en een hele andere manier van opvoeden. Ik kan dan ook heel eerlijk zeggen dat ik geen makkelijke puber was. Ik vermeed geen confrontaties, zei wat ik vond en als ik het zat was liep ik, voor een paar uur, weg. Iets wat mijn zussen niet in hun hoofd zouden halen.

Zo kwam ook de dag dat ik thuiskwam na school – ik zat in mijn examenjaar – en mijn tas met spullen klaarstond. Mijn moeder en volledige voogd vertelde mij dat ik diezelfde middag overgeplaatst zou worden naar een internaat. Zo kwam ik als vijftienjarige binnen op een crisisgroep in Almere. Een groep die plaats bood aan elf jongeren en dagelijks vier verschillende groepsleiders in twee shifts. Ik vond het de eerste dagen vreselijk. Weer weg, weer alleen, niemand wil mij, het ligt aan mij.

Maar gek genoeg vond ik mijn rust op het internaat. Ik had geen ruzies meer, ik werd gehoord, er werd echt naar mij geluisterd. Ik had het gevoel dat ik er toe deed, ik kreeg vanuit de basis een dosis vertrouwen en hoefde deze niet te verdienen. Ik begon mij in te zien dat ik voor mijn moeder nooit een dochter ben geweest maar een ‘hebben-object’ als strijd tussen haar en mijn vader. De thuissituatie bij mijn moeder was toxic, het hield mij klein.

In heb op het internaat in totaal op drie groepen gewoond en op elke groep een bijzondere band opgebouwd met mijn groepsleiders. Het voelde vertrouwd en ik weet zeker dat als ik ze nu zou bellen, zij net zo klaar voor mij staan als hoe zij dat destijds gedaan hebben. Een zorgmedewerker, een groepsleider, kan daadwerkelijk het verschil maken.”